Twee vezels van 125 micron versmelten tot één onzichtbare verbinding — met een lasverlies dat u zwart op wit krijgt.
Een glasvezel is een haardunne draad van glas — de kern waar het licht doorheen reist, is bij singlemode vezel slechts 9 micron dik. Dat is ruwweg tien keer dunner dan een mensenhaar. Wil je twee vezels verbinden, dan moeten die twee kernen exact tegenover elkaar liggen. Een fractie scheef en het licht "lekt" weg uit de verbinding.
Bij fusion splicing worden de twee vezeluiteinden in een lasmachine gelegd. Camera's in de machine lijnen de kernen automatisch uit op micron-niveau. Vervolgens smelt een elektrische boog van duizenden graden de uiteinden in milliseconden aan elkaar. Het resultaat: één doorlopende vezel, zonder overgang, zonder reflectie.
Direct na de las schat de machine het verlies in. Maar een schatting is voor ons niet genoeg: elke las die wij maken wordt naderhand met een OTDR-meting geverifieerd. Zo weet u zeker dat het netwerk doet wat het belooft — vandaag én over twintig jaar.
Zo zoeken we een vezel op: een Visual Fault Locator stuurt fel rood licht door de vezel. Waar het rood oplicht, zit de juiste vezel — of de breuk.
Elke verbinding in een glasvezelnetwerk "kost" een beetje licht. Dat verlies wordt gemeten in decibel (dB). Eén matige las van 0,5 dB lijkt onschuldig — maar een tracé telt al snel tientallen lassen. Tel je die verliezen op, dan houdt het signaal aan het einde te weinig vermogen over en gaan abonnees dat merken: lagere snelheden, uitval, klachten.
Daarom hanteren netwerkbeheerders een harde norm van maximaal 0,1 dB per las. Wij zitten daar structureel onder. Niet door geluk, maar door schone werkomstandigheden, scherpe cleaves, goed onderhouden machines — en door elke las direct te controleren.
Klik op een stap — of scroll en kijk hoe het licht door het proces loopt.
Schuif de twee vezeluiteinden naar elkaar toe. Raken de kernen elkaar, dan volgt de boogontlading — en uw meetresultaat.
In een lasmof komen kabels van verschillende kanten samen — soms met honderden vezels tegelijk. Elke vezel krijgt zijn eigen plek in een cassette, elke cassette zijn eigen administratie. Een nette mof is jaren later nog te begrijpen voor de monteur die hem opent; een rommelige mof is een storing in wording. Wij lassen moffen volgens het laschema van de opdrachtgever en leveren de bijbehorende documentatie compleet op.
In de POP (Point of Presence) komen alle wijkkabels samen en worden vezels afgemonteerd op panelen met connectoren. Hier telt naast lasverlies ook netheid: strakke geleiding, juiste buigradius en duidelijke labels, zodat elke vezel in seconden te vinden is.
De laatste las zit bij de klant binnen: de vezel uit de straat wordt in de FTU (Fiber Termination Unit) op een pigtail gelast. Klein werk, groot effect — dit is de las waar de eindgebruiker letterlijk op kijkt.
Van één FTU tot een complete wijk vol moffen: wij plannen snel en leveren mét meetrapport op.